Wie wil dat niet, gezond oud worden? Dus spenderen we in Nederland heel veel tijd en geld aan gezond ouder worden. Onder meer door het doen van onderzoek naar wat we moeten doen en laten, veelal in uitgebreide programma’s, om het ideaal van gezond ouder worden te bereiken. Maar gaan we dan ook gezond dood? Of gaan we juist niet meer dood?
Het adagium gezond ouder worden lijkt de belofte in zich te houden dat we niet meer dood gaan. En dat is, voor de meeste mensen (en, moet ik eerlijk zeggen, ook voor mij), een veel leuker vooruitzicht dan die dood. Dus liever het beeld van het eeuwige leven op het netvlies dan dat van de dood. Hoe onrealistisch ook. Dat brengt met zich mee dat we een belangrijke fase in ons leven meer en meer lijken te ontkennen. Althans voor onszelf.

Een ander kan het overkomen, maar als we maar goed genoeg alles doen om gezond ouder te worden, dan gaat die fase aan onze deur voorbij. Ik bedoel daarmee de periode van de laatste jaren voor de dood. De fase waarin ons lichaam (en soms ook de geest) ons meer en meer in de steek laat. De fase waarin verzorging of verpleging steeds meer een noodzakelijk kwaad is. Of die fase nu komt na je 60e, 80e of je 100e, voor de meesten van ons zal die echt komen. Want vooralsnog is het zo dat we dood gaan omdat het lichaam niet meer werkt zoals we gewend waren. Onderdelen gaan kapot en met lapwerk houden we het nog een tijdje aardig vol, maar echt herstellen is er niet meer bij en uiteindelijk houdt het op.

Om dit verschijnsel niet helemaal te ontkennen, is met het omarmen van het adagium ‘gezond ouder worden’ ook gekozen voor een andere definitie van ‘gezondheid’. Niet langer is ‘gezond’ hetzelfde als ‘niet ziek’ of een vorm van ‘compleet welbevinden’.  In de huidige opvatting wordt vooral de potentie benadrukt om gezond te zijn of te worden. En de verpleeghuisarts is een specialist ouderengeneeskunde geworden. Maar is het die potentie (en dus ‘genezing’) waar het in die laatste fase om gaat? Is het benadrukken van de potentie om gezond te zijn of te worden in die periode niet juist een benadrukken van de overtuiging van het eeuwige leven of een ontkenning van de dood?

Zou het in dit stadium niet juist moeten gaan om de potentie om waardig dood te kunnen gaan? En daarmee heb ik het niet over euthanasie, maar over het leven van die laatste fase. Doodgaan is een werkwoord, niet een momentopname. Want daar waar het aftakelen van het lichaam fysiek al in de vroege volwassenheid begint, vindt het afscheid nemen van het leven vooral plaats in die laatste fase. Dat is niet gericht op het bereiken van iets als gezondheid, maar eerder op het loslaten ervan. Ik pleit voor meer aandacht en waardering voor deze fase en in het denken over zorg en gun ons allen een tevreden afscheid.

Lineke Verkooijen
 
© 2021 Stichting Academische Verpleeg(t)huiszorg Nederland